De kern van een dwangstoornis is een overbewustzijn/overgevoeligheid voor dingen die niet (helemaal) in orde zijn, voor de rafeleindjes van het bestaan, de ongelukjes in een klein hoekje, de dingen waarbij je niet stil moet staan of de kleine kansen op een ramp. Dat kan zich uiten in moreel perfectionisme (een veel te strenge beoordeling van jezelf), in verzamelzucht (omdat je geen enkele mogelijkheid onbenut kan laten), in doorlopend gekweld worden door zorgen over het klimaat of in een voortdurende staat van opwinding over wat allemaal oneerlijk is in de wereld.

De constatering dat iets niet helemaal of soms zelfs helemaal niet in orde is of dat het niet zéker is of het in orde is, is op zich niet onjuist. Ik zal nooit tegen een dwangpatiënt zeggen dat het wél 100 procent dichtgetimmerd is. Dat is geen overmoedige uitspraak, want er is maar één ding absoluut1 zeker en dat is dat er iets is. Ik zeg wel dat de mate waarin ze zich er druk over maken ver over de grenzen van efficiëntie gaat. De meeste mensen hebben wel een natuurlijk gevoel voor waar die grens ligt. Dat spreekt voor hen vanzelf.

Soms is het lastig. We weten dat een totalbodyscan bij gezonde personen overall meer kwaad doet dan goed. Maar Marcel Levi vertelde eens hoe dat geloof bij hem wankelde, toen bij zijn broer, die zo’n screening van zijn werk moest doen, toch wél een tumor werd ontdekt, die toen nog operabel was.
Ook iemand zonder dwang gaat dan twijfelen of maximale controle niet toch goed is. We zien dat ook in de bureaucratie.
Iedereen wordt gek van de overmaat aan controle, maar als er een ramp gebeurt, schieten we allemaal in de risicoregelreflex. Als een risico echt wordt beleefd, dan willen we direct een regeling om het te voorkomen. Mensen met een dwangstoornis beleven een risico of andere onvolkomenheid te makkelijk en dus proberen ze te veel dat weg te nemen.
Helaas helpt dat maar even, want je kunt niet alles voorkomen. ‘Voorkomen is beter dan genezen, maar bij mij is het dus de ziekte’, zei een patiënt eens tegen me. Klopt. Iemand met een dwangstoornis moet juist vertrouwen of onverschilligheid oefenen. Komt wel goed2, loopt wel los, kan mij het schelen, vriezen we dood dan vriezen we dood of shit happens nou eenmaal.

Recentelijk startte ik een actie voor een beter tuchtrecht. Niet omdat ik rechtspraak niet verdraag, maar omdat ik disfunctionerende rechtspraak niet verdraag.

Zoiets zet meteen een aantal twijfels in werking. Is het wel goed me hiermee bezig te houden of is het een dwanghandeling (álles wat niet in orde is, moet opgeruimd)? Passie of compulsie? Ben ik geen moraalridder, iemand die op prekerige wijze zijn normen aan anderen wil opleggen.
Zijn mijn motieven wel moreel. Doe ik het voor de zaak of voor mezelf? Wat me hierin enigszins geruststelt is dat stelling nemen tegen tucht(on)recht niet direct populair is. Het wordt gemakkelijk aangezien voor geen kritiek dulden. Dat mij dat wordt aangewreven vind ik dan weer oneerlijk en dat ik niet met oneerlijkheid kan omgaan wist je al. Dus nog meer onrust.

Had ik bij een in mijn ogen ontzettend onrechtvaardige uitspraak niet moeten denken: shit happens. Of beter nog: die uitspraken niet eens lezen. Dat is wel wat ik artsen met dwang adviseer. ‘Maar’, denk ik dan, ‘beter voor wie?’ Daar komt bij dat de problemen van het tuchtrecht voortkomen uit dwangmatig recht willen doen3 voorbij de grenzen van de efficiëntie, dus juist reden me er wél mee bezig te houden. Ja, of juist niet?

Nou ja. Als jij nu denkt ‘die man spoort écht niet’: tot die conclusie ben ik zelf ook gekomen. Maar ja, wat doe je eraan? Shit happens.

voetnoten
1 Absoluut betekent losstaand/onafhankelijk (van alles).

2 Dat is niet altijd waar, maar wel vaak.

3 Ik dicht mensen van het tuchtcollege geen kwade bedoelingen toe.

gepubliceerd op medisch contact op 13 december 2021
Categorieën: OCDBlogs

Menno Oosterhoff

Psychiater, spreker en schrijver van het boek Vals Alarm.