Meestal spreek ik niet over mijn eigen ziek zijn, tenminste niet als het over lichamelijke kwalen gaat. Vrouwen vinden toch altijd dat mannen zich aanstellen.
Ik beschreef dat al eens in het blog ‘de mannengriep’. Maar dit keer was ik zo ziek, dat zelfs Dineke, mijn vrouw, vond dat uitdrukkingen die ze anders als Oosterhoffhysterie betitelt gerechtvaardigd waren. We hebben het dan over ‘zo ziek als een hond, zo slap als een vaatdoek, alles doet me zeer, ik kan niet op mijn benen staan, de mobiel pakken is nog een opgave’. Ik vind het ook wel fascinerend hoe je in een paar uur tijd zo volledig uitgeschakeld kunt zijn.
Bang voor corona ben ik eigenlijk niet geweest, omdat ik direct ook klachten had die wezen op blaasontsteking en toen nog fit genoeg was om op internet te vinden dat dat nu juist helemaal niet bij corona wordt beschreven. Omdat het middel dat ik nog in huis had niet werkte en de koorts tot 40 piekte kwam de huisarts even langs, die de diagnose bevestigde en zelfs upgradede naar nierbekkenontsteking. Hij had in zijn hele praktijk nog geen coronapatiënt. Hier in het hoge noorden is het nog een beetje een ver-van-mijn-bedshow. Rustig uitzieken dus. Nu moet ik eerlijk toegeven dat ik ziek zijn zonder misselijkheid en niet meer pijn dan ‘alles doet me zeer’ zo gek nog niet vind.
Gezond kom ik maar moeilijk tot stilstand, maar nu is er geen enkele keus. Ik kon niks anders dan broeien in bed onder een zware laag dekbedden. Het denken, dat anders altijd gericht is op dingen die nog moeten en kunnen, was ook goeddeels uitgeschakeld en draaide aanvankelijk op half ijlende, later wat minder onlogisch in kleine cirkeltjes. Toen ik een beetje opknapte kon ik uit het raam kijken. Gewoon alleen maar kijken zonder er iets mee te willen is voor mij ook ongekend.
Dus ik zag de kersenbloesem zonder direct takken te moeten plukken voor in een vaas, en zonder de aandrang overal kersenbomen te willen planten, alle kersenbomen in de buurt te willen zien of foto’s te maken. Zo zag ik nog veel meer moois. Ooit wandelde ik met een vriend in een bloeiend heidegebied. Zoals gewoonlijk bespraken we de problemen in het bestaan in zijn algemeenheid en in ons eigen bestaan in het bijzonder. Op een gegeven moment bleef hij staan en wees met een weids armgebaar op de ons omringende natuur: Aan de Schepper heeft het niet gelegen’, zei hij, ‘het decor is prachtig.’ Ziek zijn maakt misschien wel ontvankelijk voor die schoonheid van het decor van ons bestaan. Ik las dat Herman Finkers, direct nadat hij de diagnose chronische lymfatische leukemie had gekregen, door het bos wandelde en alleen maar kon denken: ‘Wat is het toch allemaal overweldigend mooi.’ Nou, zo diep ging het bij mij niet, maar ik had dan ook niet zo’n ernstige ziekte. Ik moest denken aan een liedje uit mijn jeugd van Louis Armstrong
Ik zocht het even op op YouTube – dat kon ik weer – en was gelijk ontroerd. Tegen Dineke zei ik dat ik wel wil dat ze dat te zijner tijd op mijn begrafenis draait.’ Daar zal ik dan naar kijken,’ zei ze, wat betekent: ‘Geen sprake van.’

Nu ik weer beter ben vind ik het nog steeds ontroerend, maar wel mierzoet.

gepubliceerd op Medisch contact op 22 april 2020

Menno Oosterhoff

Psychiater, spreker en schrijver van het boek Vals Alarm.

Subscribe
Abonneren op

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments